Reisverhalen van Collin

Vulcanriders

 

Mijn motorjack en het leren vest daar weer overheen, voelen lekker stevig aan om mijn romp. Veilig. Voor mij en achter mij hoor ik het geronk van de Vulcans van mijn motorkameraden. Ook Vulcanriders. Dat is het fijne van een merkenclub. Elke motor heeft een eigen karakter maar is toch herkenbaar aan het typische Vulcangeluid. We kennen de eigenschappen van onze robuuste machines. De meeste bikes zijn gecustomized en niemand kijkt op van een paar stevige uitlaatknallen.

Voor mij kijk ik op de verweerde rugpatch met het V-embleem van Mosselman en iets verderop rijden Gas Gas en Mary in de zijspan. In mijn rechterspiegel zie ik achter mij het spijkerjack van Small Willem. Ik hang er lekker tussenin op mijn 1500 Classic. 

Als we in een ranke colonne langs het IJsselmeer rijden, tel ik zo’n twintig motoren op toertocht door Noord-Holland. Ik voel me gekend. Ik voel me geborgen. Ik voel me gezien. Mijn mede motorrijders kennen mij als Colin. Zo heet ik natuurlijk niet echt. Maar een nickname zegt iets over het karakter van de trotse drager. Zoals Lone Rider die zonder maatje het leven trotseert maar wiens rake gevoel voor humor altijd wel voor een lach zorgt of zoals Animal, onze kok die met Keltische trots een zwijntje aan het spit ronddraait en Kwebbel, van wiens bijnaam je niet zou vermoeden wat een zorgzaam karakter daarachter schuilgaat. 

 

Ruim anderhalf jaar geleden heb ik deze motorvrienden gevonden. Ik wilde nieuwe mensen ontmoeten in een geheel andere context dan die van mijn dagelijkse leven. Mensen die mij zouden leren kennen zoals Astroboy mij kende. Zo ontdekte ik de Vulcanriders. Want, zo redeneerde ik: ken mijn motor en je kent mij. Dat klinkt cliché en dat is het geloof ik ook maar het voelt als een authentieke overtuiging.

Vulcanriders. Het zijn misschien nog geen zeer hechte vrienden zoals Astroboy mijn beste vriend was. Astroboy en ik waren sterrenmaatjes. Zo noemde ik het maar. Beiden gek van astronomie en vooral van meteoren. Met koptelefoon op konden we uren luisteren naar ruis op de radio om totaal opgetogen te raken als we een paar seconden een flard van een zender hadden ontvangen in het radiant van de meteorenregen Perseiden. Een Honda CBX 550 f2 daar reed hij graag op. Zijn lange lijf gebogen achter het kleine kuipje. 

De Vulcanriders zijn geen vervanging, geen substituut voor Astroboy. Zijn afwezigheid voelt nog altijd schraal en ik kan nog maar moeilijk praten over wat het gemis betekent in mijn leven waarin Astroboy meer dan vijftien jaar mijn trouwe maat was. Als Colin bestond ik eigenlijk altijd al maar dan met name in de dialogen met Astroboy. 

 

Ik heb het wel vaker over ‘mijn beste’ als het over vrienden gaat. Een soort overtreffende trap om duidelijk te maken hoezeer ik om iemand geef en hoe uniek en waardevol diegene voor mij is. In echte vriendschappen zitten geen gradaties. Echte vrienden zijn schaars. Elke echte vriend is je beste vriend vanwege de unieke band die je met elkaar hebt. Nog geen andere beste vriend kan ik vertellen over mijn unieke band met Astroboy. Een leegte, een gapend gat is achtergebleven. Dat deel van mij is meegesleurd toen Astroboy de wereld verliet. Dood. Niet op een motor. Dat had hij vast zelf nog wel overwogen als hij daar fysiek toe in staat was geweest. Maar nee, in een auto tegen een boom. Precies zoals hij, nu al elf jaar geleden, eens aankondigde over hoe het zou gaan. Astroboy is nu echt een jongen van de sterren. Stof tot stof. Sterrenstof. Eruit gereden bij Halve Maan nadat hij tijdens ons laatste avondje doorzakken eerst nog melancholisch “Wish you where here” van Pink Floyd op zijn gitaar had gespeeld, inderdaad van het album Dark Side of The Moon. Het leek wel alsof hij op deze manier van zijn dood een eigen astronomische compositie had gemaakt.

Zonder Astroboy kan ik niet meer naar de sterren luisteren. Eigenlijk is dat raar want misschien zou ik hem wel kunnen horen maar onze meetapparatuur en mijn telescoop staan sinds die ene dag in het voorjaar van 2012 nog altijd ongebruikt in mijn studeerkamer. 

Misschien heb ik het daarom wel zo naar mijn zin gekregen tussen deze Vulcanriders. In hun gezelschap heb ik fragmenten teruggevonden van mijn identiteit, die bij Astroboy vanzelfsprekend was. Een eigen identiteit bestaat niet zonder de erkenning, zonder ‘acknowledgement’ van die ander die jou ziet, zoals je werkelijk bent. Dat is degene die je bent achter die façade van MBSS, onze nieuw gekoesterde afkorting Motor rijden, Bier drinken, Stoer kijken & Slap lullen. Heel onschuldig allemaal maar toch zo belangrijk.

Daadwerkelijk de ander zien zoals diegene is in volledige acceptatie van het anders zijn van diegene, zelfs als je alleen nog maar een vermoeden hebt van wie die ander is. 

De allereerste keer dat ik deze motorvrienden ontmoette was in het najaar van 2012 in Behrensdorf, Germany. De hartverwarmende hartelijkheid waarmee Steffi ons stond op te wachten, voelde als een warm welkom bij een grote familie die niet compleet was zonder Smitje, Small Willem, Bighfoot en mij, Colin. We waren de laatste vier motorrijders die aankwamen om als brothers aan te schuiven bij de warme stamppot zuurkool.

 

Ik stuur loom door de bochten langs het IJsselmeer en geniet van het warme zonlicht op mijn gezicht. Dankzij de open helm ruik ik de maritieme geur van het brakke IJsselmeerwater. Gretig inhaleer ik de geur van grassen en bloeiende bloemen aan haar oevers. De lucht met witte wolken is bijna azuurblauw waarmee het doet denken aan ’t Hollands licht op schilderijen van de oude schildermeesters. Een licht briesje zorgt voor duizenden kleine deukjes in het zilveren wateroppervlak dat vol groene smaragden schittert in de late middagzon. Ik zou even willen stoppen om er een foto van te maken maar de motorstoet komt niet tot stilstand. Deze ervaring van het rijden is immers niet met camera vast te leggen. 

Stapvoets gaat het door de karakteristieke dorpjes Onderdijk en Andijk. We toeren traag verder, vol verwondering over de smalte van de straatjes, achter enkele hoge dijken die het wassende water blijven keren. Uiteindelijk maken we een koffiestop in het haventje van Enkhuizen. Twintig motoren body aan body imponerend geparkeerd aan de kaai. Als we weer vertrekken komen we even later door Spierdijk. Zacht ronkend komen we langs een kosterswoning en het dorpscafé. De straten zijn gelegd met oude kasseien wat het motorrijden tijdelijk tot een hobbelige aangelegenheid maakt. 

Vol met herinneringen aan de tijd van weleer, buigen hoge bomen hoofdschuddend hun kruinen over ons heen als we door de dorpsstraat rijden. Ze staan niet zo rechtop meer zoals toen misschien maar nog even fier staan ze er, wat stram en voorovergebogen, opgeschrikt door het aanzwellend gebrul van de toerende machines. De bomen laten hun oude takken eerst venijnig zwiepen om daarna enigszins gelaten ons wuivend na te zwaaien met een zware zucht, nog nasidderend van het ronkend geweld dat voorbij ging. Hun krakende stammen zijn het niet meer gewend, die vaart en die snelheid. 

 

Nu het rijden iets langzamer gaat, heb ik even tijd om van opzij een verweerde gevel te observeren van een oude school. Boven de hoofdingang lees ik de tekst Moeder Gods School. Ineens zit ik niet meer op de motor maar ben ik op bezoek bij mijn oma nippend aan een kopje straffe Engelse thee. Oma hield niet van slappe thee, net zoals ik. Gewone Engelse thee moest het zijn, vers gezet in zo’n metalen kannetje, uitgeschonken in een kopje van Chinees porselein met dunne rand, want anders drinkt het niet lekker.

Toen oma nog bij haar ouders woonde in Sint Pancras, ging ze in Spierdijk op school. Om op school te kunnen komen, moest oma eerst met de trein en daarna nog anderhalf uur lopen door de velden voordat ze op school was. Ze had het niet naar haar zin op de school in Spierdijk en gelukkig heeft het niet lang geduurd dat ze daar naar toe moest. Ze voelde zich eenzaam in de klas. Er waren geen aardige kinderen en meneer Sik was een strenge meester. Toch kon oma hierover smakelijk verhalen alsof het nog maar even geleden was. “Meester Sik heeft de hik zeiden we tegen elkaar,” vertelde oma met een vrolijke lach waardoor ze ineens veranderde in een ondeugend schoolmeisje. Later, toen ze als weduwe opnieuw getrouwd was, maakten mijn oma en haar man regelmatig tochtjes op een schitterende Zündapp KS100 uit 1965. In een stoffige doos vind ik een foto waar oma als een stoer wief naast de Zündapp staat. Aan de witte wegwijzer op de achtergrond, zie ik dat het kiekje is gemaakt tijdens een tochtje in de buurt van de Lemelerberg. 

 

Ik voel mij ineens onverhoeds sterk verbonden met mijn oma, Jacobje, roepnaam Co. Ik ben naar haar vernoemd en ik ben trots dat dit in mijn nickname Colin te horen is. De school waar mijn oma in Spierdijk naar toe moest, was vast niet de school met de naam Moeder Gods School, want oma was van Protestantse huize maar toch is het net alsof ik in een flits van het voorbijgaan, achter het donkergroene, statige hek een meisje met lange blonde haren zie huppelen. Ze draagt een witte bloemetjesjurk en een rond blik waarin het middageten zit met een appel voor op school. Ik geef een dot extra gas en zwaai een nonchalante groet naar de gevel van de school. Dag meester Sik met de hik. De Vulcanriders voor en achter mij hebben niets gezien. 

 

’s Avonds op de camping zitten we nagenietend van de prachtige toertocht met z’n allen om het kampvuur, Captain Morgan binnen handbereik. Ik draag een zwarte bandana. Dat zit net zo lekker om mijn kop als het motorjack om mijn lijf. Onwillekeurig blik ik omhoog waar de eerste sterren al knipogen naar de aarde en hef het glas. Cheers, Astroboy. Het was een gedenkwaardig mooie dag voor Vulcanriders.